Als bewegen meer is dan sporten

Over wat ik pas echt merkte toen ik het een tijd niet kon

Ik ben iemand die graag beweegt.

Eigenlijk altijd al.

Fietsen vooral.

Maar ook wandelen, trainen, buiten zijn.

Bewegen doet veel voor mij.

Het maakt mijn hoofd rustiger.

Het geeft structuur aan mijn dag.

Het geeft energie.

En fietsen doet daar nog iets extra’s bovenop.

Vrijheid.

Buiten zijn.

Onderweg zijn.

Mijn hoofd leegmaken zonder daar bewust moeite voor te hoeven doen.

De afgelopen vier maanden heb ik door blessures veel minder kunnen sporten.

En als ik wel bewoog, was er bijna altijd pijn of ongemak.

Dat heeft me meer geraakt dan ik vooraf had gedacht.

Ik miste niet alleen de sport

In eerste instantie dacht ik vooral:

Ik kan niet fietsen zoals ik wil.

Dat vond ik al vervelend genoeg.

Maar na verloop van tijd merkte ik dat er meer veranderde.

Ik zat minder goed in mijn vel.

Was sneller onrustig.

Had minder energie.

Mijn dagen voelden anders.

Alsof er iets ontbrak wat veel meer deed dan alleen mijn conditie op peil houden.

Dat zette me aan het denken.

Misschien is bewegen voor mij helemaal geen hobby.

Misschien is het een basisvoorwaarde om me goed te voelen.

Bewegen ordent iets

Sommige mensen mediteren.

Anderen schrijven.

Of gaan in de tuin werken.

Bij mij doet bewegen iets vergelijkbaars.

Tijdens een fietstocht hoeft er even niets opgelost te worden.

Gedachten komen en gaan.

Sommige dingen worden vanzelf kleiner.

Andere vallen ineens op hun plek.

En soms denk ik gewoon een uur nergens bijzonders aan.

Ook dat is prettig.

Bewegen ordent blijkbaar iets wat ik zittend veel moeilijker voor elkaar krijg.

Als je lichaam niet meewerkt

Daar zit bij een blessure misschien wel het lastigste deel.

Je wilt bewegen omdat je weet dat het je goed doet.

Maar juist bewegen is wat niet vanzelf gaat.

Je lichaam, dat normaal een bron van vrijheid is, begint grenzen te stellen.

Dat roept frustratie op.

En eerlijk gezegd ook ongeduld.

Ik wil vooruit.

Herstellen.

Weer gewoon doen wat ik gewend ben.

Maar hoe harder je herstel probeert af te dwingen, hoe meer je soms merkt dat een lichaam zich daar weinig van aantrekt.

Dat vind ik lastig.

Mijn fout zou zijn om alleen te wachten

Wat ik de afgelopen maanden ook heb geleerd, is dat ik moet oppassen voor alles-of-niets-denken.

Als fietsen niet kan zoals ik wil, is de verleiding groot om te denken dat bewegen dus nauwelijks zin heeft.

Maar misschien moet ik het juist kleiner maken.

Wandelen.

Mobiliteit.

Krachttraining binnen wat mogelijk is.

Rustig fietsen.

Een paar oefeningen.

Niet omdat het hetzelfde is.

Maar omdat bewegen op zichzelf al iets voor me doet.

Misschien is de belangrijkste vraag tijdens een blessure daarom niet:

“Wanneer kan ik weer alles?”

Maar:

“Wat kan ik vandaag wél doen?”

Gezond zijn is meer dan fit zijn

Vroeger dacht ik bij gezond zijn vooral aan conditie.

Sterk zijn.

Kilometers maken.

Trainingsprikkels.

Maar gezondheid is voor mij breder geworden.

Kunnen bewegen zonder pijn.

Goed herstellen.

Mobiel blijven.

Luisteren naar mijn lichaam.

En ook accepteren dat er perioden zijn waarin minder doen uiteindelijk meer oplevert.

Dat laatste vind ik nog steeds niet mijn sterkste kant.

Dagelijks bewegen

Ik merk steeds sterker dat ik beweging eigenlijk iedere dag nodig heb.

Niet iedere dag hard trainen.

Dat is iets anders.

Maar wel:

lopen.

fietsen.

rekken.

kracht.

buiten zijn.

Mijn lichaam gebruiken.

Voor mijn lijf.

Maar minstens zoveel voor mijn hoofd.

Als ik dat te lang niet doe, merk ik het.

Niet pas na weken.

Vaak al veel eerder.

Misschien is dat ook zelfkennis

We zoeken vaak naar ingewikkelde antwoorden op de vraag waarom we niet lekker in ons vel zitten.

Werk.

Relaties.

Zingeving.

Stress.

Allemaal belangrijk.

Maar soms is een deel van het antwoord verrassend eenvoudig.

Heb ik buiten gelopen?

Heb ik mijn lichaam gebruikt?

Heb ik bewogen?

Voor mij blijkt dat geen detail.

Het is een fundament.

De afgelopen maanden had ik dat fundament minder tot mijn beschikking.

En juist daardoor zie ik scherper hoe belangrijk het voor me is.

Ik hoop natuurlijk dat mijn lichaam straks weer meer kan.

Dat ik weer langere ritten kan maken.

Harder kan trainen.

Vrijer kan bewegen.

Maar ik wil ook iets meenemen uit deze periode.

Niet alleen waardering voor wat mijn lichaam allemaal kan als het goed gaat.

Maar ook het besef dat bewegen voor mij niet pas begint wanneer ik kan presteren.

Bewegen is niet alleen iets wat ik doe om fit te blijven.

Het is een van de manieren waarop ik goed voor mezelf zorg.